Antisemitisme - Amsterdam #jodenhaat #discriminatie #racisme #geloof #haat #amsterdam #holland
2020

Poederbrief

In de ochtend wandel ik lang met de hond. Onlangs overleed mijn oma. Haar overlijden hakt er zwaar bij me in. Wandelen werkt meditatief. Na de wandeling, open ik de brievenbus. Er ligt een witte envelop in waar met de handgeschreven “belastingdienst” op staat. Ik neem de envelop mee naar boven.

Onderweg naar boven, voel ik dat er in de envelop iets korreligs zit. Ik denk gelijk aan zaadjes voor op het balkon. Beetje rare humor om de “belastingdienst” op de envelop te schrijven, maar lief gebaar van de zaadjes, denk ik bij mezelf.

In de huiskamer maak ik de envelop open. Ik haal er een briefje uit, er staat een tekst opgeschreven die begint met “Viesse Joden”. Ik schrik van de tekst en merk gelijk erna dat mijn hand onder wit poeder zit, afkomstig uit de envelop. Ik verstijf. Het zweet breekt me uit. Ik krijg gelijk buikkrampen en ren naar de wc. Een diarreeaanval volgt. Ik weet me geen raad. Wat moet ik nou doen?

Mijn vader had vast al gelijk een plan gereed staan. Drie jaar geleden overleed hij. We woonden samen tot zijn ziekte hem te veel werd. Wij waren een beregoed team. Maar hij is er nu niet meer. Iemand bellen dan maar. Ik bel mijn vrouw. Sinds augustus vorig jaar, zijn we getrouwd. Mijn vrouw is van Nederlandse en Israëlische afkomt. Het is duidelijk dat de envelop niet per ongeluk bij ons in de brievenbus kwam. Maar zij is aan het werk. Ze is verpleegster. Ze is altijd druk en neemt natuurlijk niet op. De volgende die ik bel is een tante. Op advies van haar, bel ik 112.

De politieagente meldt me per direct het huis te verlaten. Er is politie onderweg.

Mijn geliefde belt me terug vanaf haar werk. Aan haar vertel ik het scenario en het plan van aanpak, terwijl ik mijn hond aan de lijn doe en mijn huissleutels zoek. Ze schrikt zich lam en zegt dat ze gelijk naar huis probeert te komen.

Twee minuten later sta ik met de hond op de stoep te wachten op de politie. Het zweet druipt langs mijn lichaam. Ik voel de druppels van boven naar beneden glijden. Onder mijn sweater heb ik nog het shirt aan, waar ik vannacht ik sliep. Ik liet de hond uit in mijn pyjama. Ik ben uit mijn doen en voel me vies. En ik heb nog steeds buikkrampen. Zat er vergif in de envelop? Ben ik nu ziek aan het worden? Ga ik dood? Of voel ik me in ene zo lamlendig door de schrik? Een menselijk lichaam kan rare kuren vertonen als het in shock is. Ik weet het niet.

De politie arriveert, toevallig tegelijkertijd met mijn geliefde. Ze wil me omhelzen bij aankomst, maar dit mag niet. De politie waarschuwt haar. Iedereen moet afstand van mij bewaren. Hoe ernstig kan dit wel niet uitpakken? Hoe gevaarlijk kan dat poeder zijn? Was het zo chemisch dat het via mij nu ook anderen schade kan toebrengen? Waar zijn we in hemelsnaam in beland? 

Ik tril als een rietje en praat met de politie. ‘Heeft u onlangs ruzie met iemand gehad?’ vraagt een agent. ‘Nee,’ antwoord ik, ‘er is niemand die ik kan aanwijzen.’

Het is misschien gek om over jezelf te zeggen, maar ik zie mezelf als een lieve meid. Mijn geliefde plaats ik ook in de categorie van “lieve meiden”. Wij zijn twee jonge vrouwen die geen vlieg kwaad doen. Dat feitje, vind ik ook zo enorm leuk aan ons. Wij zijn een lief sprookje om te koesteren.

‘Heeft u eerder last gehad van bedreigingen? Of vreemde post in de brievenbus?’ vraagt de politie hierna. ‘Nee, geen bedreigingen. Maar,…’ Pauze. Ik kijk mijn geliefde aan. Moet ik nu vertellen over de onvrede van familie jegens ons huwelijk?

‘Ok,’ ik vervolg mijn verhaal, ‘we ontvingen wel eerder post met Bijbelse teksten in verband met onze relatie als twee vrouwen samen. Dat vind ik op zijn zachtst gezegd ook vervelend. Maar dit is wel andere koek.’

‘En verder vanwege geloofsovertuiging?’ vraagt een andere agent vervolgens.

‘Een tijdje terug is er wel hier op de binnenplaats met een mes of sleutel in het raam gekrast. Er staat “iets” geschreven tegen Joden.’

‘Iets?’

‘Ja, een scheldwoord, geloof ik.’

‘Had u daar aangifte van gedaan?’

‘Nou, ik belde de woningbouw en vroeg of zij het raam konden repareren of vervangen. Ze stuurden toen iemand om het te checken, maar ze deden er niets aan. Toen liet ik het maar varen.’

‘De tekst staat er nog steeds?’

‘Ja.’

‘En u had geen aangifte gedaan?’

De agent kijkt me nu aan alsof ik niet zo snugger ben.

‘Nee. Maar ik snap nu dat ik dat beter wel had kunnen doen.’

We praten beneden in het gangportaal. Boven in het appartement is een onderzoek aan de gang. Het geheel voelt surrealistisch aan, alsof ik een film ben beland. Samen met mijn vrouw wacht ik tot we onze woning in kunnen en er uitsluitsel gegeven kan worden wat betreft het witte poeder in de envelop.

‘Dit is toch bizar?’ zeg ik tegen mijn geliefde. ‘Over dit soort acties hoor je toch alleen op het nieuws?’ Mijn geliefde lijkt ook in shock. Ze staart voor zich uit en geeft geen reactie. Een agent die naast me staat kijkt me wel aan. Hij kijkt ernstig en knikt met zijn hoofd. Ergens vind ik het geruststellend dat er aan de houding van de agent is af te lezen, dat hij dit ook geen alledaags gebeuren vindt.

Even later komt een meneer van het onderzoeksteam naar beneden. Hij onderzocht in ons appartement de envelop met het poeder. Hij meldt dat het poeder niet schadelijk is. Wat een opluchting. Ik ga niet dood en word ook niet doodziek. Ik kan weer ademen.

Toch word ik verzocht om even mee te gaan naar de ambulance die voor de deur staat. ‘Je gelooft toch niet dat dit hier in Nederland gebeurt? Mensen die dit soort acties flikken moeten het land worden uitgezet,’ zegt de ambulanceverpleegkundige, terwijl ze mijn bloeddruk checkt. Ik ga niet op de opmerking in. Uitlatingen als deze hebben geen zin. Mijn bloeddruk blijkt veelte hoog te zijn. Het zal de schrik wel zijn. Ik wil terug naar huis.

Als mijn geliefde en ik naar ons appartement mogen terugkeren, voelt het thuis zijn geheel anders dan voorheen. Onze vertrouwde plek voelt niet meer veilig. We zijn onrustig en lopen rondjes door het huis. En we bellen wie we kunnen bellen. Vertellen ons verhaal. Praten helpt. Ik wil mijn oma bellen, maar dat kan nu natuurlijk niet meer. Ze is er niet meer. Maar ze zit nog in mijn systeem. Ze zou bezorgd zijn geraakt en overstuur. Maar we waren beste vriendinnen, dus dan bel je elkaar. Toen ik aan oma vertelde over de Jodenhaat tekst op de binnenplaats, vond ze dat ik gelijk de politie moest inschakelen. Moest ik ook doen. Maar ik luisterde niet. Stom.

In de avond komt een agente langs voor onze aangiftes. We doen aangifte van bedreiging en belediging. Tegelijkertijd komen er nog twee andere agenten voor onze deur staan. Nadat we onze aangiftes ondertekenen, laten we de twee andere agenten binnen in ons huis. In de huiskamer praatten we met de wijkagent en een collega. Ze luisteren naar ons verhaal. ‘Maar waarom we hier nou eigenlijk écht zijn,’ zegt de wijkagent op een gegeven moment, ‘de burgemeester is hier ook van op de hoogte gesteld en is erg geschrokken. We willen jullie dus vragen of ze bij jullie langs mag komen.’

Nu wil ik helemaal mijn oma bellen. Ik wil haar zeggen dat ik aan het einde van de dag, toch nog iets fijns te melden heb. Ze zou gerustgesteld zijn na dit laatste bericht.

‘Er wordt werk van gemaakt,’ zou mijn oma zeggen. ‘Niemand komt hier ongestraft mee weg, lieverd. Niet, na vroeger. Niet, na wat er allemaal gebeurd is. Ze krijgen die mafketel wel te pakken. Geen zorgen meer, lieve schat. Niet meer teveel aan denken. De burgemeester weet ervan. Drink zo maar warme melk voor het slapengaan. Houd van je, lieverd.’ Ja. Mijn oma, degene die me altijd kon kalmeren. Die de juiste woorden voor ieder moment wist te vinden.

Het zal vast een tijd duren voordat thuis weer als thuis voelt. Maar met mijn oma in gedachten ga ik naar bed. Er wordt werk van gemaakt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

error: Content is protected !!